| Historie | |||||||||
Het Corps de Marechaussée werd op 26 oktober 1814 door Willem I opgericht ter vervanging van de in 1805 opgerichte Bataafse- en vervolgens Koninklijke Hollandse Gendarmerie. Dit was een deels bereden - en daardoor mobiel - korps van militaire politie voor de interne politiedienst in de krijgsmacht dat, eerst alleen in de grensgebieden, tevens politionele taken uitvoerde op het platteland. Het viel onder het ministerie van Oorlog, maar werd voor tweederde bekostigd door het departement van Justitie. De Koninklijke Marechaussee voerde het koninklijk wapen met de naam van de dienst: Koninklijke Maréchaussée, zoals in het K.B. van 1807 bepaald.
Na de definitieve nederlaag van Frankrijk onder Napoleon wordt de kaart Europa hertekend. De Belgische provincies worden bij de Nederlandse gevoegd. De benaming Gendarmerie verdwijnt, maar de fundamenten van de Franse organisatie blijven behouden. De term gendarmerie was te beladen geworden. De Gendarmerie Nationale was bij de Franse wet van 16 februari 1791 opgericht. Ze volgde destijds de Franse Marechaussee op, een soort militaire politie, toegevoegd aan de verschillende legereenheden, die ook burgerlijke en gerechtelijke opdrachten had. Doordat het woord Marechaussee in Frankrijk niet meer werd gebruikt en vervangen was door Gendarmerie, wat staat voor Gens d'arms "Mannen met wapens" , kon Willem I het Nederlandse korps "Marechaussée" noemen en gaf Willem er zijn "eigen" tintje aan. De marechaussee was ondergebracht bij de landmacht. De taken waren toen het verrichten van politietaken voor de krijgsmacht, en civiel politiewerk als onderdeel van de rijkspolitie. De marechaussee was in sommige kleinere steden zoals Venlo begin negentiende eeuw de enige politie.
In 1908 wees koningin Wilhelmina de beveiligingstaak van de koninklijke paleizen toe aan de marechaussee. Voordien werd dit door tuinmannen gedaan. Het op wacht staan bij een paleis heet daarom nog steeds "klompendienst". Op 5 juli 1940 voegde de Duitse bezetter de marechaussee in Nederland organisatorisch samen met de rijksveldwacht en de gemeenteveldwacht. Hierdoor verloor de marechaussee haar militaire status en het predikaat "Koninklijke". Buiten de bezette gebieden golden deze wijzigingen natuurlijk niet. Ongeveer 200 marechaussees verzorgden in Londen de beveiliging van de koninklijke familie en de politiediensten voor de Prinses Irene Brigade.
Na de oorlog werd de marechaussee gesplitst in een Korps Rijkspolitie (ter vervanging van de rijks- en gemeenteveldwacht) en de Koninklijke Marechaussee, die weer een militaire status kreeg. Op 3 juli 1956 werd prinses Beatrix benoemd tot Schutsvrouwe der Koninklijke Marechaussee. In 1994 gingen rijks- en gemeentepolitie op in de 25 regiokorpsen en het Korps landelijke politiediensten. Bij die gelegenheid droeg de rijkspolitie de politie- en beveiligingstaken van Schiphol over aan de marechaussee. In 1998 werd de marechaussee een zelfstandig krijgsmachtonderdeel.
|
|||||||||
|
|||||||||
| © 2005-2007 AG |